Schemergrammatica: over vallende avonden en de dag neerleggen

Het doet elk jaar weer een beetje pijn: het moment waarop de lange zomeravonden plots verleden tijd blijken. Het is het moment dat je je ’s avonds na de afwas realiseert dat buiten iemand het licht al heeft uitgedaan. Patat: de avond is gevallen voor je de dag kon neerleggen.

Ondergaande zon
foto: Bert Jacobs

De dag plechtig neerleggen

De dag neerleggen. Ik denk daar altijd iets plechtigs bij. Klaroengeschal of pauken. Iets bombastisch. Met vlaggen zelfs misschien. Al hou ik helemaal niet van vlaggen. Maar die vlag was een nu eenmaal een essentieel onderdeel in het avondritueel vroeger op kamp met de Chiro. Voor de jongsten gingen slapen, sloten we de dag af met het vlaggenlied: “Daal nu bij het zinken”. Voor wie niet in de Chiro gezeten heeft: het dalen verwijst naar de vlag, het zinken naar de dag.

Niet dat ik heimwee heb naar dalende vlaggen of bombastische gezangen. Ik heb wel heimwee naar de avonden die we de voorbije vakantie doorbrachten op een boerderij in NormandiĆ«. We ‘woonden’ in een luxueuze tent met zicht op een paar kippen, twee ezels en een glooiend groen landschap. Luxueus moet je in deze interpreteren als: het was een grote tent met echte bedden en een tafel en stoelen en stromend water. Wat er niet was: elektriciteit. Als de kinderen in bed lagen, nestelden we ons buiten voor de tent met een dekentje en een boek. Al zaten we even vaak zonder boek gewoon te kijken en te luisteren. Tot de zon achter de horizon gezonken was en de vogels zwegen.

Mediteren avant la lettre

Schemeren is in principe een onpersoonlijk werkwoord: een werkwoord dat alleen ‘het’ als onderwerp kan hebben zoals bij ‘het regent’ of ‘het sneeuwt’. Ik sneeuw niet, jij regent niet, wij schemeren niet. Of wel? Vroeger was het niet zo gek dat mensen ’s avonds ‘schemerden’ voor ze de nacht in gingen. Het werk op de boerderij was gedaan, het werd stilaan donker en elektriciteit was er niet of was iets waar je spaarzaam mee omsprong. Dan ging je op een bankje voor de boerderij zitten om de dag te overschouwen terwijl de avond neerdaalde.

In Het no-nonsense meditatie boek beschrijft Jeff Vermassen hoe zijn groottante bij de kolenkachel de avond naar zich toe liet komen. Ze keek enkele uren uit het raam tot het tijd was om naar bed te gaan met enkele het licht van een paar gloeiende kooltjes. Van mediteren had ze wellicht nog nooit gehoord, laat staan dat ze naar Headspace swipete voor ze naast haar kachel plaatsnam.

Uit de schemerzone

Jarenlang was er geen haar op mijn hoofd dat er ook maar aan dacht om ’s avonds gewoon wat te zitten, te kijken of te zijn. Tot ik voor lange tijd in een donkere schemerzone belandde: ’s nachts sliep ik zelden en overdag struikelde ik over de meest routineuze handelingen. Mijn zoon aankleden, een boterham smeren of de was in de machine stoppen: het waren bergen die ik niet meer kon beklimmen. Ik had overal pijn, kreeg voortdurend hartkloppingen en voelde me als een uitgewrongen dweil. Ik wilde zo snel mogelijk weer aan het werk en deed er alles aan om zo snel mogelijk weer mijn figuurlijke bergen te beklimmen. Dat dacht ik tenminste.

Ik was al bijna drie maanden thuis toen mijn psychologe me begripvol maar kordaad terechtwees: “Wil jij weer gaan werken? Wanneer ga jij dan eindelijk stoppen met rondrennen?” Ik voelde me betrapt en moest tot mijn eigen verbazing vaststellen dat ik nog altijd een ratje in een molentje was. Ook al zat er geen betaald werk meer in het molentje, ik ging in overdrive met het plannen en organiseren van stomme routineklusjes. Mijn to-do-lijstjes namen hilarische proporties aan in een poging om mijn gebrekkig geheugen te compenseren.

Ik kreeg van de psychologe de opdracht om elke dag drie minuten te zitten en te ademen. Drie volle minuten. Zitten en ademen. Hoe moeilijk kon dat zijn? Aartsmoeilijk dus. Die drie minuten leken een eeuwigheid en ook al had ik al bijna veertig jaar probleemloos geademd, een evenwichtsnummer op de trapeze leek me haalbaarder.

Stilstaan om vooruit te gaan

Na drie maanden thuis, trok ik voor een paar dagen naar een klooster in de hoop daar rust en inzicht te vinden. Ik had er een bed, een tafel en een stoel. Er was geen afwas om uit de machine te halen en geen speelgoed om op te ruimen. Er waren geen kleren om te strijken, geen kinderen om aan en uit te kleden, geen kasten om leeg te maken en weer te vullen. Ik kon er niet veel anders doen dan zitten, lezen of wandelen.

Het was april en de dagen waren lentedagen uit de boekjes met glinsterende dauwdruppels, priemende zonnestralen en ontluikende bloemenpracht. Tijdens een van mijn wandelingen in de kloostertuin botste ik op een steen met het volgende citaat: “Ik sta even stil en dat is een hele vooruitgang.” Ook al vergde het nog maanden om er fysiek, mentaal en emotioneel weer bovenop te geraken, in mijn hoofd klaarde het langzaam op.

Natuurlijke pauzeknop

Na die drie kloosterdagen nam ik me voor om me elk jaar een paar dagen alleen met mezelf door te brengen. Met uitzondering van een tweedaagse fietstocht in mijn eentje een paar jaar geleden, is dat niet gelukt. Maar ik merk dat ik minder nood heb aan zo’n ‘retraite’ als ik af en toe gebruikmaak van de natuurlijke pauzeknop die avond heet. Dan laat ik mezelf even uit in het park terwijl de zon achter te horizon zakt en de was op de strijkplank ligt. Of ik laat de Lego van mijn zonen liggen waar hij ligt en ik duik met een boek in de zetel. Ik geef me over aan de avond die als een warm deken op mijn neervalt. Zodat ik op mijn vijfenzestigste geen hartaanval krijg en op mijn vijfennegentigste lange avonden kan ‘schemeren’ bij het (tegen dan wellicht illegale) houtvuur.

Een gedachte over “Schemergrammatica: over vallende avonden en de dag neerleggen

  1. Pingback: Wakker liggen van slapen: twee inzichten | Groe(n)ten uit Deurne

Reacties zijn gesloten.