Categorie archief: verhalen

Een kookboek van de Sint: over leesbevordering en koekjes bakken

(foto: Pixababy)

6 december 1986: de Sint brengt een kookboek voor Karen (10). Het zou het eerste kookboek worden in een lange reeks.

Ik zat in het vijfde leerjaar en had een hekel aan lezen. Dat ik op mijn achttiende Germaanse zou gaan studeren, kon toen nog niemand bevroeden. Lezen vond ik ongelofelijke tijdverspilling. Het was in de tijd dat Danny Verbiest nog geen hond met een spraakgebrek was en Kameleon mijn favoriete tv-programma. 

Gelukkig hield meester Jos er geen puriteinse norm op na als het aankwam op leesbevordering. Nu heet dat ervaringsgericht leren en is dat voor bepaalde scholen de essentie van hun corporate branding strategy, maar voor meester Jos was dat simpelweg zijn manier om te doen wat werkte.  Hij wist dat het niet zou werken om  AVI-leesboekjes in mijn strot te rammen (als die toen al bestonden). Ik mocht dus ook knutsel- en kookboeken lezen als ik dat wilde. Als ik kon maken wat ik gelezen had, redeneerde meester Jos, zou het wel goed komen met mijn leesvaardigheid.  

Of dat ook de redenering was achter mijn sinterklaascadeau in het gezegende jaar 1986 weet ik niet zeker, maar ik weet wel dat dat boek thuishoort in de reeks ‘boeken die mijn leven bepaalden’. Ik heb het letterlijk uit elkaar gelezen. Nochtans was het bepaald geen culinaire hoogvlieger. Zelfs in de jaren tachtig was het al behoorlijk ouderwets om nog maar te zwijgen van de betuttelende toon, de progressieve spelling en de gruwelijke seventies lay-out. Kijk en oordeel zelf: 

Maar ik kon het nooit over mijn hart krijgen om het naar de kringwinkel te brengen. En toen mijn zonen de koekbakleeftijd bereikten, ontdekte ik dat er geen beter koekjesrecept bestaat dan dat van de roomboterkrakelingen uit het Kinderkookboek. Ik maak nooit roomboterkrakelingen (het woord alleen al), maar laat mijn zonen gewoon vormpjes uitsteken uit het deeg.

Alle andere koekjesrecepten die ik ooit probeerde, eindigden met vormeloze blubberkoekjes, maar dit koekdeeg blijft wonderwel in de vorm. Het zou me verbazen als het boek nog ergens anders te vinden is dan in mijn boekenkast, dus hier komt ie:

Dit heb je nodig voor een bakplaat vol koekjes:

  • 125 g bloem
  • 50 g suiker
  • 50 g boter
  • 1 ei
  • mespunt bakpoeder
  • snufje zout
  • Zeef de bloem en het bakpoeder boven een propere tafel of in een ruime kom.
  • Maak een kuiltje in het midden. Breek daarin het ei en voeg suiker en zout toe.
  • Leg de boter in vlokjes op de rand van het kuiltje.
  • Gebruik een vork om vanuit het midden alle ingrediënten te mengen en kneed verder met je handen tot je een homogeen deeg hebt.
  • Zet het deeg minstens een half uur in de koelkast.
  • Verwarm de oven voor op 200 graden.
  • Rol het deeg uit op een ‘bebloemd’ werkvlak en steek er vormpjes uit.
  • Bak 12 tot 15 minuten.
  • Nu komt het moeilijkste stuk: wachten tot ze afgekoeld zijn om ze op te eten 🙂

Kippennoedelsoep van Martha voor Mannetje Koek

Martha is een paddenstoel. Een champignon meer bepaald, die op gezegende leeftijd komt te gaan en wiens huis door haar vrienden wordt leeggemaakt. Een van die vrienden is Mannetje Koek. Hij herinnert zich hoe Martha kippennoedelsoep voor hem maakte toen hij verkouden was.

Kippensoep van Martha voor Mannetje Koek

Overleden champignons en rouwende koekjes

In het universum van Pieter Gaudesaboos zijn overleden champignons en rouwende koekjes de normaalste zaak van de wereld. Je zou denken dat dit allemaal wat te absurd is voor jonge kinderen, maar dat is buiten mijn kroost gerekend. De boeken van Mannetje Koek gingen er bij mijn achterban in als – euhm – zoete koek. Toen ik een paar jaar geleden ’s avonds voor de -tigste keer Mannetje Koek schrijft een boek: Martha voorlas aan Hugo, vroeg hij na afloop: “Mama, hoe smaakt kippennoedelsoep eigenlijk?”

Kippennoedelsoep van mama voor Hugo

Tja. Hoe smaakt kippennoedelsoep eigenlijk? In het beste geval warm, vol en troostrijk. Exact wat je nodig hebt op een dag waarop de hemel even snotterig is als jijzelf en je humeur even grijs als het wolkendek. Maar aan zo’n beschrijving heeft een kleuter van vijf natuurlijk niks.

Er zat dus niet veel anders op dan proefondervindelijk vast te stellen hoe kippennoedelsoep smaakt. Geïnspireerd door Gaudesaboos’ overleden champignon en de onovertroffen soeprecepten van de gezusters Hemsley begon ik aan mijn missie.

De kip of het ei: bouillon

In de meeste recepten voor kippensoep begint het verhaal met een soepkip die een tijdje mag pruttelen in een bad van soepgroenten en keukenkruiden. Bij mij eindigt dat verhaal meestal met vettige blubber en weinig smaak. Tot ik in de ban geraakte van de kookkunsten van de zussen Hemsley en hun bottenbouillon. Zij laten afgekluifde botten urenlang koken met afsnijsels van groenten en dichten daar allerhande gezondheidsvoordelen aan toe. Hoe dan ook: de ideale restverwerking. Als je brouwsel toch niet te vreten zou zijn, kan je het afval alsnog in de vuilnisbak/compostbak kieperen zonder daar grote schuldgevoelens aan over te houden. Maar dat hoeft vast niet te gebeuren als je het restjesbouillonrecept in je achterhoofd houdt.

TIPS

  • Mist je kippenbouillon toch wat punch? Trek je voorraadkast even open… Een fles shoyu of tamari gevonden? Een pakje miso? Of desnoods: een bouillonblokje? Prima!
  • In tijden van snot en slijm is een straaltje gembersap ook een geweldig idee: stukje gember raspen en uitknijpen boven de pot.
  • Citroen! Een ‘zuurtje’ is simpelweg wat je nodig hebt om je kippenbouillon van zijn weeë smaak af te helpen!

Iedereen content met soepversiersels

In trendy foodblogs heet dit onderdeel ‘topping’, maar dat vind ik net zo’n inhoudsloos woord als ‘content’. Ik word echt niet blij van het woord ‘topping’. Bij mij heet het dus ‘soepversiersel’. Al is een soepversiersel veel meer dan puur versiering. Ik blijf bij soep wel eens letterlijk op mijn honger zitten als er niks te knabbelen valt. Daar dient soepversiersel dus voor: extra beet zodat de associatie met babyvoeding ver weg blijft.

Nog een voordeel van soepversiersels: iedereen doet er zijn ding mee. Je geeft je mee-eters een bord soep en zet de soepversiersels in aparte kommetjes op tafel. Mijn kuikens vinden dat top en ik ook: zij hebben het idee dat ze zelf mogen kiezen wat ze eten en ik zit grinnikend te kijken hoe ze hopen groenten binnen lepelen. Kortom: iedereen content met soepversiersels.

Genoeg gekakeld, tijd voor actie.

Dit heb je nodig voor een goed gevulde pot soep:

  • een kip (jawel, wat had je gedacht)
  • noedels (uiteraard)
  • een tweetal liter zelfgebrouwde kippenbouillon
  • 2 busseltjes lenteui of een paar preitjes
  • 2 bakjes paddenstoelen (liefst nog niet overleden, champignons zijn prima, maar shitake zijn ook heel lekker)
  • een half zakje diepvrieserwtjes – ongeveer 300 g
  • 3 grote wortels
  • soepversiersels (kies uit 😉
    • (licht gestoomde) sojascheutjes
    • geblancheerde broccoliroosjes
    • opgelegde of rauwe staafjes raap of koolrabi
    • gepekelde gember (te vinden in de natuurvoedingswinkel)
    • waterkers of postelein of gesnipperde peterselie en/of koriander
    • gepelde edamame (uit de diepvries)

Aan de slag:

  • De kip. Gewoon braden in de oven want bouillon heb je al. Laten afkoelen. Vlees eraf halen en in stukjes trekken. Botten en karkas zijn de basis voor je volgende bouillon!
  • Paddenstoelen schoonmaken en in niet te grote stukken snijden.
  • Prei of lenteui wassen en fijn snijden.
  • Wortels met een spiralizer of gewoon met een dunschiller in ‘noedels’ snijden. Als het snel moet gaan, zijn schijfjes uiteraard ook een optie.
  • Bouillon aan de kook brengen. Gesneden groenten en kippenstukjes toevoegen. Als ze bijna gaar zijn de diepvrieserwtjes toevoegen en nog even laten mee koken.
  • De noedels kook ik meestal apart zodat de soepeters zelf kunnen kiezen hoeveel noedels ze in hun soep willen.
  • Versiersels blancheren/stomen/snijden of gewoon in kommetjes scheppen.
  • Aan tafel!

PS: Een paddenstoelentip voor wie in de buurt van Deurne woont: Pad en Stoel is een fijn stadslandbouwinitiatief waar je lokaal en biologisch geteelde paddenstoelen vind. Geen idee of ze soms huizen van overleden champignons moeten leegmaken…

Wakker liggen van slapen: twee inzichten

Een tijdlang dacht ik dat ik ze op een of andere manier aantrok: mensen die slecht slapen. Omdat mijn bed een paar jaar lang oorlogsgebied was en het onderwerp ‘slecht slapen’ daarom nogal hoog op mijn lijstje stond. En omdat je nu eenmaal niet altijd over het weer kan praten. Maar als Canvas binnenkort een hele reeks wijdt aan slecht slapen, ligt het misschien toch niet aan mij.

Oorlogsgebied dus. In mijn herinnering werd er bij momenten hevig strijd gevoerd, maar in mijn ondergelopen IJzervlakte boekte ik soms maandenlang geen centimeter winst op de vijand. Ik verslond alles wat over slapen ging en nachtenlang lag ik me te ergeren aan binnenkoppers als “Zorg voor een frisse, goed verduisterde slaapkamer.” of “Drink geen slaapmutsje.”

Maar af en toe kwam ik adviezen op het spoor die weer beweging brachten in mijn loopgravenoorlog. Ik kan ze kort samenvatten: goed slapen ’s nachts begint overdag.

“Goed slapen begint overdag.” Haha. Wie had het daar over binnenkoppers? Wacht, ik maak het concreter met twee inzichten.

1: Daglicht

Weinig kamerplanten overleven in onze living. Geen eigenlijk. Dat is een feit. Ik dacht dat dat komt omdat ik geen groene vingers heb, maar nu weet ik beter. Het hoge sterftecijfer van graslelies, lepelplanten en zelfs vrouwentongen heeft alles te maken met het gebrek aan licht in onze living. Licht. Daglicht meer bepaald. Niet dat ik mijn kennissen en collega’s ga vergelijken met sanseveria’s of cactussen, maar wij mensen hebben best wel wat met planten gemeen.

We kunnen namelijk niet zonder daglicht. Daglicht is essentieel voor de aanmaak van melatonine, het hormoon dat ervoor zorgt dat we ’s avonds vredig indommelen en de nacht zonder noemenswaardige onderbrekingen doorbrengen . En daglicht mag je in deze definiëren als licht dat rechtstreeks op je netvlies valt, dus zonder tussenkomst van ramen. En om het helemaal moeilijk te maken: liefst nog het daglicht van de vroege ochtend omdat dat het sterkst is.

Denk even na. Een gewone dag. Na een kop koffie, ren je de deur uit om in de file te gaan staan richting kantoor. Als het een goeie dag is, heb je tijdens de lunchpauze een momentje om een luchtje (en een lichtje) te scheppen. ’s Avonds stap je weer in de auto. Tovert snel iets uit de koelkast op tafel. Rommelt wat aan in het huishouden. Stuurt je kinderen naar bed. Pakt je tablet. Belandt in de zetel.  Sleept je van zetel naar bed.

Hoeveel uur heb je op zo’n dag het daglicht met eigen ogen kunnen aanschouwen? Een half uurtje? Anderhalf uur als je met de fiets naar je werk bent gegaan? Ongetwijfeld onvoldoende. Een reportage die mijn ogen opende voor het vroege daglicht was de oude maar niet gedateerde Pano-reportage ‘Waarom slapen we zo slecht?‘ (1-3-2017).  Reporter Chris Michel gaat daarin op zoek naar de oorzaak van zijn chronisch slaapprobleem. Raad eens … zelfs als hij ’s ochtends drie kwartier buiten gaat joggen en de rest van de dag bij het raam zit te werken, krijgt hij nog maar een fractie binnen van het licht dat hij eigenlijk nodig heeft.

2: Dag licht

Kijk nog eens even naar die ‘gewone dag’. Meer bepaald naar het einde: “Pakt je tablet.” Nadat je overdag een paar luttele lumen daglicht hebt opgeslorpt, geef je je ogen de kost aan een paar uur kunstmatig blauw licht. Met andere woorden: tegen het moment dat je lijf  toe is aan die welverdiende nachtrust, zeg je “Wakker worden! Vooral geen melatonine aanmaken!”

Er bestaan apps en ingebouwde filters (bv. in Windows 10) om het blauw licht te filteren. Daarmee ga je de nadelige effecten van blauw licht wel tegen, maar bij mijn weten bestaan er geen apps om het stresseffect van een vervelend mailtje van je baas weg te filteren. En ook niet van een bloedstollende aflevering van je favoriete serie.

De moraal van het verhaal: een uur voor je onder de wol kruipt alle schermen uit. Moeilijk? Bwa. Gewoon ‘power off’. Maar wat doe je dan dat laatste uur voor de dag verglijdt in de nacht? De pauzeknop indrukken en de dag plechtig neerleggen. Meer moet dat niet zijn.

Slaapwel!

Schemergrammatica: over vallende avonden en de dag neerleggen

Het doet elk jaar weer een beetje pijn: het moment waarop de lange zomeravonden plots verleden tijd blijken. Het is het moment dat je je ’s avonds na de afwas realiseert dat buiten iemand het licht al heeft uitgedaan. Patat: de avond is gevallen voor je de dag kon neerleggen.

Ondergaande zon
foto: Bert Jacobs

De dag plechtig neerleggen

De dag neerleggen. Ik denk daar altijd iets plechtigs bij. Klaroengeschal of pauken. Iets bombastisch. Met vlaggen zelfs misschien. Al hou ik helemaal niet van vlaggen. Maar die vlag was een nu eenmaal een essentieel onderdeel in het avondritueel vroeger op kamp met de Chiro. Voor de jongsten gingen slapen, sloten we de dag af met het vlaggenlied: “Daal nu bij het zinken”. Voor wie niet in de Chiro gezeten heeft: het dalen verwijst naar de vlag, het zinken naar de dag.

Niet dat ik heimwee heb naar dalende vlaggen of bombastische gezangen. Ik heb wel heimwee naar de avonden die we de voorbije vakantie doorbrachten op een boerderij in Normandië. We ‘woonden’ in een luxueuze tent met zicht op een paar kippen, twee ezels en een glooiend groen landschap. Luxueus moet je in deze interpreteren als: het was een grote tent met echte bedden en een tafel en stoelen en stromend water. Wat er niet was: elektriciteit. Als de kinderen in bed lagen, nestelden we ons buiten voor de tent met een dekentje en een boek. Al zaten we even vaak zonder boek gewoon te kijken en te luisteren. Tot de zon achter de horizon gezonken was en de vogels zwegen.

Mediteren avant la lettre

Schemeren is in principe een onpersoonlijk werkwoord: een werkwoord dat alleen ‘het’ als onderwerp kan hebben zoals bij ‘het regent’ of ‘het sneeuwt’. Ik sneeuw niet, jij regent niet, wij schemeren niet. Of wel? Vroeger was het niet zo gek dat mensen ’s avonds ‘schemerden’ voor ze de nacht in gingen. Het werk op de boerderij was gedaan, het werd stilaan donker en elektriciteit was er niet of was iets waar je spaarzaam mee omsprong. Dan ging je op een bankje voor de boerderij zitten om de dag te overschouwen terwijl de avond neerdaalde.

In Het no-nonsense meditatie boek beschrijft Jeff Vermassen hoe zijn groottante bij de kolenkachel de avond naar zich toe liet komen. Ze keek enkele uren uit het raam tot het tijd was om naar bed te gaan met enkele het licht van een paar gloeiende kooltjes. Van mediteren had ze wellicht nog nooit gehoord, laat staan dat ze naar Headspace swipete voor ze naast haar kachel plaatsnam.

Uit de schemerzone

Jarenlang was er geen haar op mijn hoofd dat er ook maar aan dacht om ’s avonds gewoon wat te zitten, te kijken of te zijn. Tot ik voor lange tijd in een donkere schemerzone belandde: ’s nachts sliep ik zelden en overdag struikelde ik over de meest routineuze handelingen. Mijn zoon aankleden, een boterham smeren of de was in de machine stoppen: het waren bergen die ik niet meer kon beklimmen. Ik had overal pijn, kreeg voortdurend hartkloppingen en voelde me als een uitgewrongen dweil. Ik wilde zo snel mogelijk weer aan het werk en deed er alles aan om zo snel mogelijk weer mijn figuurlijke bergen te beklimmen. Dat dacht ik tenminste.

Ik was al bijna drie maanden thuis toen mijn psychologe me begripvol maar kordaad terechtwees: “Wil jij weer gaan werken? Wanneer ga jij dan eindelijk stoppen met rondrennen?” Ik voelde me betrapt en moest tot mijn eigen verbazing vaststellen dat ik nog altijd een ratje in een molentje was. Ook al zat er geen betaald werk meer in het molentje, ik ging in overdrive met het plannen en organiseren van stomme routineklusjes. Mijn to-do-lijstjes namen hilarische proporties aan in een poging om mijn gebrekkig geheugen te compenseren.

Ik kreeg van de psychologe de opdracht om elke dag drie minuten te zitten en te ademen. Drie volle minuten. Zitten en ademen. Hoe moeilijk kon dat zijn? Aartsmoeilijk dus. Die drie minuten leken een eeuwigheid en ook al had ik al bijna veertig jaar probleemloos geademd, een evenwichtsnummer op de trapeze leek me haalbaarder.

Stilstaan om vooruit te gaan

Na drie maanden thuis, trok ik voor een paar dagen naar een klooster in de hoop daar rust en inzicht te vinden. Ik had er een bed, een tafel en een stoel. Er was geen afwas om uit de machine te halen en geen speelgoed om op te ruimen. Er waren geen kleren om te strijken, geen kinderen om aan en uit te kleden, geen kasten om leeg te maken en weer te vullen. Ik kon er niet veel anders doen dan zitten, lezen of wandelen.

Het was april en de dagen waren lentedagen uit de boekjes met glinsterende dauwdruppels, priemende zonnestralen en ontluikende bloemenpracht. Tijdens een van mijn wandelingen in de kloostertuin botste ik op een steen met het volgende citaat: “Ik sta even stil en dat is een hele vooruitgang.” Ook al vergde het nog maanden om er fysiek, mentaal en emotioneel weer bovenop te geraken, in mijn hoofd klaarde het langzaam op.

Natuurlijke pauzeknop

Na die drie kloosterdagen nam ik me voor om me elk jaar een paar dagen alleen met mezelf door te brengen. Met uitzondering van een tweedaagse fietstocht in mijn eentje een paar jaar geleden, is dat niet gelukt. Maar ik merk dat ik minder nood heb aan zo’n ‘retraite’ als ik af en toe gebruikmaak van de natuurlijke pauzeknop die avond heet. Dan laat ik mezelf even uit in het park terwijl de zon achter te horizon zakt en de was op de strijkplank ligt. Of ik laat de Lego van mijn zonen liggen waar hij ligt en ik duik met een boek in de zetel. Ik geef me over aan de avond die als een warm deken op mijn neervalt. Zodat ik op mijn vijfenzestigste geen hartaanval krijg en op mijn vijfennegentigste lange avonden kan ‘schemeren’ bij het (tegen dan wellicht illegale) houtvuur.

Waarom ik voor CSA-groenten kies

Ik moet jullie iets bekennen. De groenten uit Deurne komen niet echt uit Deurne.  Ze komen meestal uit Booischot. Booischot is een onooglijk dorpje ergens tussen Antwerpen en Brabant in een regio waar ze de vreemde gewoonte hebben om gemeentenamen met ‘schot’ te bedenken. Het is daar waar Maaike Mussche en Ole Deschout na omzwervingen via Koningshooikt en Nijlen neerstreken om er naast hun dochters ook hun groenten groot te brengen.

Ons Logisch Voedsel

Van die groeten eten wij sinds twee jaar elke week mee. In ruil voor ons oogstaandeel, pikt mijn man elke week vanaf april tot en met december een mand met groenten op in ’t Werkhuys in Borgerhout. Community Supported Agriculture (CSA) heet dat.

Ik leerde Maaike kennen als “Maaike van van de Ecologische Buurtwinkel”. Ze verkocht er graantjes en nootjes in bulk, biobrood en herbruikbaar maandverband. Op een dag sloot ze  haar winkel met de aankondiging dat ze boerin werd en opende ze een groentekraam naast de apotheker. Als ik daar appels kocht die ik naast mijn twee oogappels in de bakfiets legde, kwam ik gegarandeerd thuis zonder appels. (Rara: wie had wie opgegeten?) Toen sloot ook het kraampje,  maar wij waren al lang verkocht. De zak appels werd een groentemand en de groentemand werd een oogstaandeel bij Ons Logisch Voedsel, het bedrijfje van Maaike en Ole.

Wekelijkse mand groenten op de fiets

Ons wekelijks Logisch Voedsel groentenaandeel

Waarom doet een mens dat in ’s hemelsnaam? Vooraf een half maandloon betalen en omrijden voor vreemde, zanderige groenten terwijl hij in de Delhaize uit meer dan honderd blinkende groenten kan kiezen die hij pas betaalt als hij ermee langs de kassa loopt…

Ik zal het u vertellen.

Amai mijne portemonnee: wie betaalt de rekening?

800 euro voor een ‘medium’ oogstaandeel. In eerste instantie vond ik dat veel geld. Ik probeerde uit te vogelen of we daarmee meer zouden uitgeven dan wanneer we ons ding deden in de supermarkt, maar ik kwam er niet uit. Eigenlijk stelde ik de foute vraag.  De vraag is niet: waar koop ik de goedkoopste groenten? De vraag is: hoe komt het dat groenten in de supermarkt zo goedkoop zijn? Langs welke (om)weg komen ze in de rekken terecht? Hoe vers zijn ze dan? Wie verdient daar (niet) aan?

Zo’n vooraf betaald oogstaandeel geeft de boer meer zekerheid dan wanneer hij zijn oogst langs de geijkte kanalen moet zien kwijt te geraken. Al mag je die zekerheid niet verwarren met bestaanszekerheid. Maaike en Ole woonden drie jaar in een woonwagen op hun veld. Werken van zonsopgang tot zonsondergang valt in de winter misschien nog mee, maar in de zomer zijn dat letterlijk lange dagen. En dat zijn dan de ‘gewone’ werkdagen. Want wat doe je als je veld overstroomt en een groot deel van de oogst wegrot? Of als in de heetste zomer van de eeuw de beregeningsinstallatie het laat afweten? Dag en nacht werken dus. En dat voor een loon dat flirt met de armoedegrens.

Gratis mindfulness

Als ik hoor of lees hoe het Maaike en Ole vergaat in hun strijd met of tegen de natuurelementen, voel ik me wel eens schuldig omdat we niet vaker langsgaan om mee te helpen op het veld. Een paar keer per jaar komt het er gelukkig wel van. Dan karren we met ons vier naar Booischot en gaan we een middag mee schoffelen, tomaten opbinden of bonen plukken. Vermoeiend? Best wel, maar het is een totaal andere vermoeidheid dan het opgedraaide gespannen moe na een drukke dag op kantoor.

Na een dag met mijn handen in de grond heb ik geen dure yogaretraite meer nodig. Dan ben ik helemaal zen en mindful. Eén met mezelf en met de natuur. Geaarder dan een oude eik. Maar vooral: zwart en zanderig.

Welkom bij Groe(n)ten uit Deurne

Gewoon beginnen. Hoe vaak heb ik dat al niet tegen mezelf gezegd? Want anders begin ik na te denken, te overwegen, te heroverwegen… tot er niks meer overblijft. Je wil niet weten hoe vaak ik al begon met deze blog om hem snel weer offline te halen. Gewoon springen en zwemmen? Niet mijn sterkste kant. Het zou maar eens mis moeten gaan.

Het ging ook mis. Een viertal jaar geleden. Ik was de draad kwijt. Mijn lijf zei STOP. De stekker moest eruit.

Ratracen in de stresskippenren

Het ratje kon niet meer mee en viel uit haar looprad pardoes op de grond. Probeerde meermaals recht te krabbelen en weer in het rad te geraken. Tot ze doorkreeg dat het best oké was, gewoon met haar pootjes op de grond, haar kopje in de zon en haar (snor)haar in de wind.

Niet dat ik nu stresskip af ben. Nee. Maar ik weet iets beter wat ik nodig heb om de stresskippenren zonder kleerscheuren door te komen. Dat is wat ik graag met je wil delen: veel geploeter en gerommel in de marge, met af en toe een helder inzicht.

Over groe(n)ten

Oh ja. Ik wil het ook over groenten hebben. Groenten groeien in de grond. Rennen niet rond. Zijn lekker en – jawel – gezond. Daarom dus.

Groe(n)ten uit Deurne!

Karen Cornelis